Met de Nehalennia naar de Orkneys, deel 1

C:\Users\Asus\Pictures\8e zeereis klein\P1000020.JPGBij het oversteken van de Maasmond moet ik even pas op de plaats maken voor dit gigantische containerschip.

Deel 1:  Van Durgerdam naar Cornwall.
In de Geuzen van het afgelopen jaar hebben jullie kunnen lezen dat ik verleden jaar door de Ierse Zee naar de Hebriden ben gevaren. Mijn plan was om dat dit jaar weer te doen, maar nu wilde ik vooral de kleine eilanden bezoeken en doen wat mij vorig jaar vanwege de kapotte stuurautomaat niet was gelukt: doorvaren naar de Orkneys, de eilanden boven Schotland, en dan door het Caledonisch Kanaal en de Ierse Zee weer terugvaren. Verleden jaar ben ik grotendeels via de Britse westkust naar het noorden gevaren, nu wilde ik dat langs de Ierse oostkust doen.

Na een koud en winderig verblijf van ruim drie weken op de wal in Andijk, waar de verbinding tussen de romp en de kiel van een nieuwe kitlaag is voorzien, ben ik op zaterdag 25 mei uit Durgerdam vertrokken. Eén van mijn vrienden vergezelde mij naar IJmuiden. Toen hij vlak voor de sluis van boord stapte stond de sluisdeur al open, maar ik kon niet direct de kolk binnen varen. Op de wal stonden twee marechaussees die mijn marifooncertificaat wilden controleren en vroegen wat het doel van mijn reis was. Toen ik vertelde dat ik op weg was naar Groot-Brittannië, waarschuwden ze om geen illegale vreemdelingen mee te nemen en direct contact op te nemen als iemand me zou vragen om dat te doen. Na dit korte oponthoud werd ik vrij vlot geschut en voer ik weer op zout water. Ik heb direct het grootzeil gehesen, maar de wind was aanvankelijk te zwak om te kunnen zeilen. Ter hoogte van Zandvoort nam hij gelukkig wat toe en konden de zeilen het van de motor overnemen. Een beter begin van mijn reis kon ik me niet wensen. De zon scheen overvloedig, er stonden nauwelijks golven en ruim aan de wind zeilend met een flinke vloedstroom in de rug koerste ik met een gangetje van dik 6 knoop richting Scheveningen. De hoge gebouwen van de ministeries en de hoogbouw op de Scheveningse boulevard waren al bij IJmuiden te zien en aan het eind van de middag, nog geen negen uur na mijn vertrek uit Durgerdam, meerde ik aan in de jachthaven van Scheveningen.

Na dit veelbelovende begin moest ik even geduld hebben. Er trok een koufront over dat ’s nachts voor wat regen en de volgende dag voor een krachtige tot harde zuidwestenwind zorgde. Ook de dag erna woei het nog te hard om verder zuidwaarts te koersen. Verveeld heb ik me tijdens de twee dagen verwaaid liggen bepaald niet. Zaterdagavond heb ik een bezoek gebracht aan een meneer in Den Haag die een boek aan het schrijven is over de Van der Harsten, van oorsprong allemaal afkomstig uit Scheveningen. Zondag heb ik het Haags Historisch Museum bezocht, waar een interessante tentoonstelling was over Den Haag in de Gouden Eeuw, en de volgende dag ben ik naar het Mauritshuis geweest. Daar was een speciale Rembrandt-tentoonstelling waar ook schilderijen hingen waarvan men ten onrechte dacht dat het Rembrandts waren. Verder was er een informatieve tentoonstelling over de man die het Mauritshuis heeft laten bouwen, Maurits van Nassau-Siegen, gouverneur van de WIC-kolonie Brazilië, maar ook slavenhandelaar.

Na deze leuke culturele uitstapjes was het uitstekend weer om richting Zeeland te varen. Net als verleden jaar wilde ik met een tussenstop bij de Oosterscheldedam naar Oostende varen en dan vanuit Duinkerke naar Engeland oversteken. De wind was naar het noordwesten gedraaid en behoorlijk afgezwakt, maar zou waarschijnlijk sterk genoeg zijn om alleen op de zeilen Zeeland te bereiken. Toen ik de genua had uitgerold bleek de snelheid niet voldoende om voor het donker te arriveren en heb ik de motor erbij gezet. Mijn melding om de Maasmond bij Hoek van Holland over te steken werd keurig beantwoord, ik kon oversteken, maar toen ik daarmee wilde beginnen kwamen er net twee schepen naar buiten en vanaf de Noordzee voer een groot containerschip mijn richting uit. De verkeersleiding vroeg me om achter de drie schepen langs te varen, maar ik had al vaart geminderd. Toen ik bijna de overkant had bereikt kwam er van zee nog een schip mijn kant uit, maar dat voer gelukkig ruim achter me langs. Daarna volgde er een mooie en relaxte tocht, hoewel er behoorlijke golven stonden. Die werden nog wat hoger toen de wind in de loop van de middag wat toenam, maar het grote voordeel was dat ik nu de motor niet meer nodig had. Net als op de eerste zeilmiddag was er volop zon. Het was ongelooflijk helder, voor Hoek van Holland was zelfs de rookpluim van Tata Steel nog zichtbaar en de vuurtoren van Ouddorp kon ik ook al zien. Met een stevige vloedstroom in de rug liep het schip ruim 7 knoop en even na zessen, nog geen vier uur na mijn vertrek, had ik de Zeeuwse wateren bereikt. Een half uurtje later verschenen de duinen van mijn geboorte-eiland Walcheren boven de horizon en rond zevenen draaide ik de toegangsgeul van de Roompot binnen. Daar was de golfslag een stuk minder, omdat ik nu in de beschutting van de banken voer. Bij de Roompotsluis werd ik snel bediend en daarna ben ik doorgevaren naar de Roompot Marina, vlak achter de Oosterscheldedam, op Noord-Beveland.

Ongenode ontbijtgast in de Roompot Marina.

De volgende morgen was de wind naar het zuidoosten gedraaid, waardoor het een stuk warmer was dan de vorige dag. Toen ik lekker in het zonnetje de eerste boterham op mijn bord legde, bleek ik niet de enige te zijn die trek had in een stevig ontbijt. Vlak naast me, op nog geen meter afstand, streek een grote zilvermeeuw op de reddingsboei neer. Vorig jaar in Falmouth had dit soort ongewenst bezoek een broodloos ontbijt opgeleverd, en dat wilde ik nu koste wat kost voorkomen. Ik haalde snel mijn brood van tafel en hield de hele tijd mijn linkerarm voor mijn bord zodat ik eventuele pogingen om een boterham van mijn bord te pikken direct kon afweren. Ik had de meeuw natuurlijk ook kunnen verjagen, maar ik vond het ook wel leuk om zo’n vogel van zo dichtbij te observeren. Toen ik mijn sinaasappel begon te schillen, begreep hij dat een boterham er niet in zat en hield hij het voor gezien.

Ik had voor mijn vertrek uiteraard de wind- en weerberichten geraadpleegd en die zagen er goed uit, althans voor wat de morgen en de middag betreft. De zwakke tot matige zuidoostenwind, die zeer warme lucht aanvoerde, zou gaandeweg naar het zuiden draaien en dan aan het einde van de dag zuidwest worden en ook flink toenemen, tot vrij krachtig. Het zou dan ook gaan regenen en mogelijk onweren. Omdat ik naar het zuidwesten moest, was de zuidenwind voor mij zeer gunstig, maar als hij zuidwest werd en toe zou nemen zou ik op de motor tegen flinke golven in moeten ploegen. Om dat te voorkomen ben ik wat eerder vertrokken dan gepland.

Boven de noordkust van Walcheren stond wat wind, maar hij was helaas te zwak om te kunnen zeilen en toen ik op zee kwam en in een rechte lijn naar Oostende koerste, viel hij helemaal weg. De golven van de vorige dag waren verdwenen, deining stond er nauwelijks en het water zag er fluweelzacht uit. Helaas was het lang niet zo helder meer. De westkust van Walcheren was nog wel een tijdje zichtbaar en ook de Sardijntoren op de boulevard van Vlissingen was nog vaag te zien, maar van de Vlaamse kust zag ik de eerste uren helemaal niets. Op een paar vissersschepen na was er nauwelijks scheepvaart. Op de plotter zag ik ver achter me het zeiljacht varen dat in Scheveningen naast mij had gelegen. Het was bemand door een vader en een zoon. Ze wilden ook naar Oostende, maar deden dat via Stellendam, een behoorlijke omweg leek me. Hun eindbestemming lag een eind verder weg, dat was Florida. Ze waren er al een keer eerder naartoe gezeild. De vader, een al behoorlijk bejaarde man die zich op het dek wat moeizaam schuifelend voortbewoog, vertelde dat hij op de oceaan altijd ’s nachts de wacht had en dan sliep op een van de kuipbanken. Ik vind de nachtelijke oversteek van het Bristol Channel al een hele onderneming, maar vergeleken met de oceaanoversteek van deze vader en zoon stelt dat natuurlijk niets voor. Ik doe het ze niet na.

Ik heb de navigatie aan de stuurautomaat overgelaten en me met een boek op mijn lievelingsplekje tegen de mast genesteld. Net toen ik de Belgische territoriale wateren had bereikt zag ik het water in het westen zwart worden. Ook de westelijke hemel werd steeds donkerder en ik begreep dat het afgelopen was met het relaxte zomerse varen. Ik heb snel mijn zitkussen, boek en koffiekopje naar de kajuit gebracht. Precies op tijd, want het begon stevig te waaien en er vormden zich al snel flinke golven. Het voordeel was wel dat ik kon zeilen. Alleen zou het me niet lukken om in één slag Oostende te bereiken. De haven waar ik nu hoog aan de wind op afkoerste was Blankenberge.

Het oversteken van de drukke geul die naar Zeebrugge en de Wielingen leidt was even spannend omdat er van zee een groot containerschip aankwam. Gelukkig minderde het wat vaart en kon ik er ruim voorlangs. Daarna was de vraag: nog even doorzeilen en dan overnachten in Blankenberge, of doorvaren naar Oostende, zoals het plan was? Het laatste betekende dat ik nog zeker ruim twee uur op de motor tegen wind en golven in zou moeten hakken. Weliswaar met de stroom in de rug, maar omdat de wind pal tegen de stroom in woei, stond er een onaangename steile golfslag. Kruisen was geen optie, dan zou ik veel te laat aankomen. Mijn plan was om vanuit Oostende naar Duinkerke te varen en dan naar Engeland over te steken. Vanuit Blankenberge in een keer naar Duinkerke varen zou niet lukken, dus als ik nu niet zou doorvaren zou me dat een dag kosten. Een andere overweging om door te varen naar Oostende was dat ik de volgende dag vanwege de harde wind waarschijnlijk niet zou kunnen varen. Dan was Oostende een betere plaats om verwaaid te liggen dan het vrij karakterloze Blankenberge. Ik besloot daarom om door te varen.

Na een niet erg aangename tocht voer ik even voor achten tussen de havendammen van Oostende, waar het gelukkig een stuk rustiger was dan op zee en ik alle ruimte had om mijn grootzeil te strijken en het schip aanlegklaar te maken. De havenmeester van de Royal North Sea Yacht Club was nog aanwezig en verwelkomde mij hartelijk vanaf zijn speedbootje. Omdat er aan de gastensteiger allemaal schepen lagen die de volgende morgen vroeg zouden vertrekken voor een wedstrijd naar Ramsgate, wees hij me een plaats toe waar ik aan een hekboei kon liggen, met de neus naar de wal. Ik heb snel de speciale haak voor het vastmaken aan hekboeien uit de bakskist gehaald, hem bevestigd aan de heklijn en aan de havenmeester gegeven. Die haakte hem vanuit zijn speedbootje aan de hekboei en zijn assistent stond op de steiger om mijn voorlijnen te pakken. Nadat ik de havenmeesters hartelijk had bedankt voor hun hulp, heb ik lekker een warme maaltijd genuttigd, helaas niet buiten, want het begon lichtjes te regenen. Zeezeilen maakt niet alleen hongerig, maar ook slaperig, en nadat ik me ervan had vergewist dat de boeg niet de steiger zou raken als het water zou zakken en de ketting van de hekboei wat meer scheef stond, heb ik rond half elf mijn kooi opgezocht. Ik ben als een blok in slaap gevallen, maar rond vieren werd ik wakker omdat het schip een beetje rolde en ik van voren wat gebonk hoorde. Ik was bang dat de boeg toch tegen de steiger botste, dat was tijdens de vorige reis ook gebeurd, en ben snel mijn kooi uitgegaan. Terwijl ik door de kajuit liep, hoorde ik ook op het achterschip wat geluid. Ik deed snel het luik open en zag tot mijn verbazing een vrij jonge man voor mij staan die aanstalten leek te maken om de kajuit binnen te stappen. Mijn eerste gedachte was dat het een bemanningslid was van een van de buurschepen die mij wilde waarschuwen omdat er iets met mijn schip aan de hand was, maar normaal gesproken doe je dat door op het dek te kloppen. Ik vroeg wat hij op mijn schip deed, maar hij keek mij niet-begrijpend aan. Hoewel hij mij niet beneveld leek door drank of drugs en ook geen slaperige indruk maakte, vermoedde ik dat hij per abuis op het verkeerde schip was gestapt. Omdat ik op een aantal schepen Frans had horen spreken, vermoedde ik ook dat hij Franstalig was. Ik schakelde daarom over op Frans en zei dat dit niet zijn schip was. Nu reageerde hij wel en zei verbaasd: “C’est pas mon bateau? Je part”. Vervolgens verliet hij zonder wat te zeggen of zich te verontschuldigen het schip. Alleen toen ik even naar het voordek was gelopen om te controleren of de boeg nog ver genoeg van de steiger lag en hij langs het schip liep, groette hij me.

Ik heb het voorval de volgende dag aan de havenmeester gemeld. Die vermoedde ook dat het iemand was die zich vergist had, waarschijnlijk een opstapper van een van de schepen met een Franstalige bemanning. Alleen mijn Vlaamse buurman, die hier zijn vaste zomerligplaats had, was er minder gerust op. Hij had al een paar keer meegemaakt dat er een dakloze op zijn schip had geslapen, maar dat was in de haven waar zijn schip ’s winters lag. Een dakloze of zwerver leek me de man niet en bovendien was de door een hoge omrastering omgeven haven alleen toegankelijk als je de code van het hek kende.

De volgende morgen kon ik gelukkig weer lekker buiten in het zonnetje eten. Het was een stralende Hemelvaartsdag, maar het woei inderdaad veel te hard om het ruime sop te kiezen. Ik benijdde de bemanningen van de wedstrijdschepen die ’s morgens vroeg vertrokken waren naar Ramsgate niet. Mijn buurman vertelde me ’s avonds dat het de meeste schepen niet gelukt was om tegen de straffe zuidwester op te tornen en Ramsgate te bereiken en dat de wedstrijd daarom was gestaakt. Ikzelf heb een leuke dag in Oostende doorgebracht, waar het vanwege het Hemelvaartweekend gezellig druk was. Eerst heb ik een bezoekje gebracht aan het Stadsmuseum, gevestigd in een van de weinige oude gebouwen van de stad, het voormalige zomerpaleisje van de eerste koningin van België. Aan het interieur van de slaapkamer waar zij al op 37-jarige leeftijd is overleden, was sinds haar dood nooit meer iets veranderd. De koningin had een hekel aan trappenlopen en als zij vanaf de belvedère, een klein glazen torentje op het dak, van het uitzicht op zee wilde genieten werd ze door een aantal lakeien in een soort mand omhoog getakeld. Daarna heb ik nog een wandeling door de stad en over de boulevard gemaakt.

Aangemeerd in Oostende.

De volgende dag zat de wind helaas nog steeds in de westhoek, maar het woei gelukkig niet meer zo hard, en na de middag ben ik met een lekkere vloedstroom in de rug naar Duinkerke gevaren. Precies op het moment dat ik de haven uitvoer, voeren de vader en zoon die naar Florida wilden de haven binnen. Tot aan de Franse grens had ik de motor nodig. Daarna werd de koers zuidwest en kon ik even zeilen. Vooral in het laatste stuk stroomde het hard en stonden er door het stroom-tegen-windeffect hoge, holle golven. De passantensteiger van de jachthaven was drukbezet en ik kon alleen aanmeren aan een ander schip. Ik vroeg aan de Franstalige eigenaar van een Belgisch jacht of ik langszij kon liggen, maar die was niet erg toeschietelijk. Eerst zei hij dat hij de volgende morgen om vijf uur wilde vertrekken en toen ik antwoordde dat ik dat ook wilde, zei hij dat het ook weleens vier uur kon worden, ik moest maar een stukje verderop gaan liggen. Daar lag een schitterende Franse motorboot. Ik heb in mijn beste Frans toestemming gevraagd om vast te maken. “Pas de problème”.

C:\Users\Asus\Pictures\8e zeereis klein\P1000032.JPGAvondschemering in Duinkerke.

Na een vrij korte nacht ging even voor het ochtendgloren de wekker en rond half zes voer ik het zeegat uit. Het Belgische jacht dat zogenaamd om vijf of zelfs vier uur had willen vertrekken, lag er nog en de luiken en gordijntjes van de kajuit waren nog dicht. Toen ik de haven had verlaten was het tij net gekenterd, maar de vloedstroom die me richting Calais trok begon al aardig op gang te komen. Het beloofde een mooie zomerse dag te worden. Wind was er niet of nauwelijks en de golven van de vorige dag hadden plaatsgemaakt voor een bijna spiegelgladde zee. De steeds sterker wordende stroom zorgde voor een snelheid van meer dan 7 knoop en om half tien voer ik al voor Calais. Er kwam er een melding van de kustwacht dat er een klein rubberbootje was gesignaleerd dat richting Engeland voer, met vier mensen erin, waarschijnlijk illegale immigranten. Gevraagd werd om direct met de kustwacht contact op te nemen als men het bootje zag. Even later hoorde ik de gezagvoerder of loods van een koopvaardijschip zeggen dat hij het bootje in het vizier had.

Het was aanvankelijk mijn plan om van Duinkerke over te steken naar Dover. Daarna wilde ik doorvaren naar Eastbourne. Ik had echter ook overwogen om eerst naar Boulogne te varen, maar vanwege de stroom en de verwachte wind leek dat toch iets minder gunstig. Nu begon ik weer te twijfelen. Ik had nog bijna de hele dag voor me en was het daarom niet handiger om gelijk naar Eastbourne over te steken? Daarmee compenseerde ik de dag verwaaid liggen in Oostende. Ik zou weliswaar vrij laat aankomen, maar op deze vlakke zee kon ik makkelijk een warme maaltijd bereiden. Omdat ik de haven van Eastbourne goed kende was het ook geen probleem als ik daar aankwam in het donker. Wel zou ik te maken krijgen met een sterke tegenstroom, maar toen ik de stroomatlas raadpleegde zag ik dat dat niet langer dan vier uur zou duren.

C:\Users\Asus\Pictures\8e zeereis klein\P1000036.JPGIn het Kanaal moet ik lang rekening houden met de drukke scheepvaart.

Ik heb snel de knoop doorgehakt en ben niet naar Dover maar naar Eastbourne gevaren. Spijt had ik er niet van. Het was niet alleen schitterend rustig weer, maar ook ongelooflijk helder. Omdat ik nu dwars het Nauw van Calais overstak en de eerste tijd vrijwel parallel met de kust voer had ik urenlang een mooi uitzicht op zowel de Franse als de Engelse oever. Aan de Franse kant stonden de kapen Blanc Nez en Gris Nez met daarachter hoge, zacht glooiende heuvels, en aan de overkant stonden de bijna hagelwitte krijtrotsen van Dover en Folkestone te pronken in de ochtendzon. Ik kon lang van dit uitzicht genieten, want ter hoogte van Kaap Blanc Nez was het gedaan met de stroom in de rug. Het water uit het Kanaal begon nu met een enorme snelheid naar de Noordzee te stromen en veel harder dan een knoop of twee en soms drie, liep het schip niet. De verleiding was groot om wat meer gas te geven, maar dat zou onevenredig veel brandstof kosten en ik wilde natuurlijk niet riskeren dat mijn tank straks leeg was. Ik moest vrij lang rekening houden met de schepen die van de Noordzee afkwamen of er naartoe voeren. Daartussendoor voeren voortdurend veerboten, maar ik hoefde geen enkele keer mijn koers te verleggen. Eén keer wilde ik uitwijken voor een groot schip, maar het verlegde zelf zijn koers en voer ruim achter mij om, waarschijnlijk omdat ik mijn grootzeil had gehesen en mijn schip op zijn plotter werd aangemerkt als zeilend vaartuig.

Na vier uur tegenstroom kreeg ik inderdaad weer stroom in de rug en schoot het een stuk sneller op. De Franse kust boog af naar het zuiden en ik voer steeds dichter bij de Engelse kust. Ook hier vroeg de kustwacht om direct contact op te nemen als men een klein open bootje richting de Engelse kust zag varen. Nadat ik de grote baai ten westen van Dungeness was overgestoken kwamen de hoge heuvels bij Hastings in zicht. Toen ik voor de badplaats voer was het al een uur of zes en heb ik lekker op het water gekookt en gegeten. Een kleine twee uur later was ik bij de verkenningston van de havengeul van de Sovereign Harbour van Eastbourne. Precies op tijd, want ik begon al een beetje stroom tegen te krijgen. Toen ik mij in mijn beste Engels via de marifoon aanmeldde voor de schutting en een overnachting, werd ik begroet met een sterk Zuid-Hollands klinkend “goede avond”. De havenmeester die dienst had kwam uit Wassenaar. Toen ik na het aanmeren in zijn kantoor was om alle aanmeldingspaperassen in te vullen, het in Groot-Brittannië telkens terugkerende bureaucratische ritueel, vertelde hij dat hij al tien jaar in Engeland woonde om bij het gezin te zijn van zijn zoon, die daar een groothandel in bloemen had.

De volgende morgen was het nog steeds zomers en behoorlijk warm, maar er stond meer wind, helaas zuidwest en daarom pal tegen. De haven waar ik nu naartoe wilde was Brighton. Omdat het met de stroom mee hooguit een uur of vijf varen was en de wind precies sterk genoeg was om lekker te kunnen zeilen, besloot ik om dit keer kruisend naar mijn bestemming te varen. Ik maakte eerst een flinke slag naar het zuiden en daarna wilde ik in één lange slag naar Brighton zeilen. Het uitzicht op de 19e-eeuwse boulevard van Eastbourne met daarachter de hoge heuvels van de South Downs en meer naar het zuidwesten de indrukwekkende kaap Beachy Head met het kleine vuurtorentje ervoor, was schitterend, maar erg lang heb ik er niet van kunnen genieten. Van het ene op het andere moment zat ik in de mist en zag ik alleen nog maar water en grijze lucht. De zon bleef wel flauwtjes schijnen. Op de plotter zag ik dat ik de scheepvaartroute al vrij dicht genaderd was en ik hoorde de schepen daar mistseinen geven. In dikke mist tussen grote schepen varen leek mij niet verstandig en ik ben overstag gegaan. Gaandeweg nam het zicht wat toe en op een gegeven moment werden de grijswitte contouren van de Seven Sisters, de zeven golvende krijtrotsen tussen Brighton en Beachy Head, zichtbaar. Nog wat later zag ik vaag de contouren van de gebouwen op de boulevard en de dam rondom de jachthaven. Het was inmiddels laag water en toen ik de havenmonding was gepasseerd, raakte de kiel even de grond, hoewel ik precies in het midden van de geul voer. De havenmeester wees me een plekje toe, dat ik snel had gevonden. Buiten eten was er dit keer niet bij, aan het fraaie zomerweer was een einde gekomen en het begon licht te regenen.

De golvende krijtrotskust ten oosten van Brighton.

De volgende morgen dag was het een stuk zonniger en glashelder, maar er stond een harde wind die weer in de westhoek zat en voor een ruwe zee zorgde. Daar tegenin varen was onbegonnen werk en ik ben daarom in Brighton gebleven. De vorige dag had ik nauwelijks iets van de fraaie krijtrotsen gezien, maar dat werd nu ruimschoots gecompenseerd. Toen ik lekker in de beschutting van de buiskap zat te ontbijten kwam er een vriendelijke Engelsman langs die in de haven op zijn schip woonde. Hij maakte even een praatje en vertelde dat er onder de krijtrotsen een mooi wandelpad liep. Na een kilometer of vijf was er een trap naar een wandelpad bovenop de rotsen. Ik bedankte hem voor de informatie en ’s middags heb ik een leuke wandeling gemaakt, eerst onderlangs de rotsen en bovenlangs weer terug, goed om mijn conditie wat op peil te houden, want op de boot leid ik hoofdzakelijk een zittend bestaan. Bij de trap was een koffietentje waar ik een typisch Engelse kop koffie heb genuttigd, geserveerd in een enorme mok en ongeveer voor de helft gevuld met instant melk.

Aankomst in Portsmouth.

De volgende dag heb ik mijn reis weer voortgezet. Het was lang niet meer zo zonnig en helder, maar een pluspunt was dat de wind naar het zuiden was gedraaid en precies sterk genoeg was om lekker te kunnen zeilen. Mijn bestemming was de marinestad Portsmouth. Onderweg regende het wat en een paar uur lang moest ik toch de motor erbij zetten om voldoende snelheid te maken. Gelukkig klaarde het aan het eind van de middag flink op en nam de wind weer toe. De motor kon weer uit en ruim aan de wind zeilend liep het schip door het water ruim 6 knoop. Die snelheid had ik ook wel nodig, want de laatste uren had ik de stroom flink tegen. Ik had dat niet verwacht, maar toen ik de getijdentabel raadpleegde zag ik dat ik me een uur had vergist. Heel erg was dat niet, want in de Solent, het vaarwater tussen het eiland Wight en het vasteland, kreeg ik weer een beetje stroom mee.

Voor Portsmouth ligt het Amerikaanse opleidingsschip Eagle voor anker en varen overal politiebootjes i.v.m. de 75 jarige herdenking van D-day.

In  Portsmouth meerde ik weer aan in de kleine, luxe marina in het centrum van de stad. Toen ik de volgende morgen het havengeld ging betalen, vertelde de havenmeester dat er grote festiviteiten in de stad waren i.v.m. de 75-jarige herdenking van D-Day. De koningin was er en hij vertelde wat lacherig en het woord “clown” in de mond nemend dat ook president Trump aanwezig was. Er waren uitgebreide veiligheidsmaatregelen en de halve binnenstad was verboden gebied. Vanaf 12 uur zouden ook het water voor Portsmouth en de geul ernaartoe anderhalf uur worden afgesloten, i.v.m. een show van militaire vliegtuigen. Het was goed weer om weer een stuk westwaarts te varen, naar Poole, en de vraag was of ik voor of na de vliegshow moest vertrekken. Het liefst daarvoor, want anders zou ik fors tegenstroom krijgen. Om half twaalf heb ik de lijnen losgegooid en toen ik nog door de geul naar de Solent voer hoorde ik op de marifoon dat de geul zou worden afgesloten. Op het water was het enorm druk. Overal voeren politiebootjes en militaire vaartuigen en aan het begin van de geul lag het Amerikaanse opleidingsschip Eagle voor anker, een grote driemaster met een enorme Amerikaanse vlag aan de bezaansmast. De vliegshow begon al boven de Solent. Er vloog een enorme formatie vliegtuigen over me heen die vlak voor Portsmouth naar het noorden zwenkte en boven het water voor de stad brede pluimen rode, witte en blauwe rook in de lucht spoot. Even hing daar een langgerekte Nederlandse vlag, maar de bedoeling zal wel zijn geweest om de kleuren in de Britse en Amerikaanse vlag weer te geven.

Bij de Needles, voor de westpunt van Wight, wordt het even behoorlijk ruig.

De wind was weer zuidwest en op de oostelijke Solent kon ik lekker zeilen, maar op de westelijke Solent kreeg ik de wind pal tegen en moest de motor het werk overnemen. Over stroom in de rug had ik bepaald niet te klagen, aan het eind van de middag was ik al bij de Needles, de rij krijtrotsen voor de westpunt van Wight. Daar werd het even behoorlijk ruig. Voor de westelijke ingang van de Solent ligt namelijk een drempel waar de stroom met een enorme vaart overheen raast. Ook nu stonden er flinke grondzeeën. Toen ze schuin voor mij lagen probeerde ik er zo hard mogelijk van weg te sturen, maar dat had geen enkel effect. Het schip werd met een enorme vaart schuin naar de brekers toegezogen en even later zat ik er midden tussen. Over het voordek en het gangboord spoelde flink wat water, maar gelukkig sloegen er geen golven de kuip of de kajuit binnen. Het duurde alles bij elkaar misschien nog geen halve minuut. Daarna kon ik mijn koers wat naar het noorden verleggen en op de zeilen de Poole Bay oversteken.

Poole Harbour.

Ik arriveerde wat te vroeg bij de toegangsgeul van Poole Harbour. Hoewel het tij al gekenterd was, stroomde er nog steeds veel water uit het ver landinwaarts lopende krekengebied de baai in. Dat zorgde voor een flinke tegenstroom. Het werd even spannend toen er een veerpont van wal stak precies op het moment dat ik er voorlangs voer. Ik heb snel flink wat gas gegeven om hem achter mij langs te kunnen laten gaan. Daarna kon ik relaxt naar de jachthaven zeilen waar ik verleden jaar en het jaar ervoor ook had gelegen. Daar kreeg ik echter de mededeling dat er vanwege een bootshow geen vrije plaatsen waren. Ik moest dus op zoek naar een andere haven. Een stukje verderop was een jachthaven van een watersportvereniging. Daar was het probleem dat men zich moest melden op een kanaal dat niet op mijn marifoon zat. Hetzelfde had ik verleden jaar in Liverpool meegemaakt. Ik ben maar op de bonnefooi naar binnen gevaren, maar er kwam net een grote groep kinderen in kleine zeilbootjes aan die buiten oefenwedstrijden gingen houden. Toen ik een stukje terugvoer om ze de ruimte te geven zag ik aan de kop van een steiger een open plaats. Toen ik had vastgemaakt ben ik richting het havenkantoor gelopen, maar de havenmeester kwam mij al tegemoet. Hij dacht dat ik op het plekje kon blijven liggen, maar wilde dat toch nog even checken. Even later kwam hij terug om te melden dat de plek inderdaad vrij was en samen met hem ben ik naar zijn kantoor gelopen om het havengeld te betalen. Dat loog er niet om. Omdat ik in een verenigingshaven lag dacht ik veel goedkoper uit te zijn dan in de commerciële haven waar ik eerst naartoe wilde, maar ik moest hier meer dan 40 pond betalen, omgerekend ruim 44 euro. Op de haven van St. Catharina’s Docks in Londen na, was dit de duurste haven in Groot-Brittannië. In de Roompot Marina betaalde ik 25 euro en dat is in Nederland al aan de hoge kant, maar vergeleken met wat men in het toch zeker niet rijkere Groot-Brittannië voor een ligplaats durft te vragen, is dat een schijntje. De havenmeester zag blijkbaar dat ik me verbaasde en vroeg of ik het hier duur vond, en dat moest ik beamen. Ik kreeg er wel een rondleiding voor, langs het toegangshek en de douches en toiletten. Net als zijn collega in Portsmouth was ook deze havenmeester geen fan van Trump. Toen ik vertelde dat ik uit Portsmouth was gekomen, waar de president op bezoek was, was zijn reactie: “Unfortunately, I have no gun”, direct gevolgd door “Oh my God, what am I saying now!” waarbij hij quasi-geschrokken zijn hand voor zijn mond legde.

Na wat inkopen te hebben gedaan, heb ik de volgende middag dit dure plekje weer verlaten. Omdat ik de stroom in de rug had, kostte het uitvaren  me heel wat minder tijd dan het invaren. Ook nu was het weer flink uitkijken geblazen. Direct na mij vertrok er een grote veerboot die mij inhaalde. Omdat er in de nauwe, kronkelige geul nauwelijks ruimte was, ben ik even buiten de boeien gaan varen. Vlak voor de plek waar de pont lag passeerde het schip mij. Ik zag dat er nog auto’s de pont op reden, maar toen de grote veerboot er voorbij gevaren was en ik al bijna voor de pont voer, ging de klep omlaag. Tijd en gelegenheid om de marifoon te pakken en aan de schipper te vragen of ik nog voor de pont langs kon, had ik niet en door de harde stroom in de rug was hard achteruit slaan en pas op de plaats maken bijna niet meer mogelijk. De pont kwam al mijn kant uit en door hard gas te geven kon ik er net voorlangs varen.

Op weg naar Weymouth passeer ik Old Harry, Harry’s Wife en de kinderen.

Daarna werd het gelukkig een stuk relaxter. Het was zonnig weer en de wind, die zwak tot matig was, was naar het zuiden gedraaid, voor mij zeer gunstig want ik wilde weer een flink stuk westwaarts varen, naar Weymouth. Zoals ik verleden jaar al schreef wordt de Engelse Kanaalkust naar het westen toe steeds mooier. De kust tussen de Poole Bay en Weymouth wordt vanwege de geologische oorsprong de Jurassic Coast genoemd. Het is een schitterend stuk kust, maar er zitten ook drie kapen in waar het hard stroomt en zeer onrustig is. De eerste kaap, waar een rijtje krijtrotsen voor staat, is de mooiste. In het midden staan Old Harry en de wat afgeslankte Harry’s Wife. Daarnaast staan nog paar kleine rotsjes, waarschijnlijk de kinderen, maar die hebben geen namen, althans ze staan niet op mijn kaart. Bij de laatste kaap, Albin Head, stroomde het het hardst. Hoewel de wind zwak was, stonden er enorme brekers. Ik werd er met een enorme snelheid naartoe gesleurd, op de meter zag ik dat mijn snelheid over de grond ruim 11 knoop was. Daarna spoelden de golven even over het voordek en ging de boeg meters de lucht in. De snelheid door het water werd flink gereduceerd, maar over de grond liep het schip nog altijd ruim 6 knoop. Na een minuut of vijf kwam ik in rustiger water en volgde er een relaxte tocht. Ik kon nu mijn koers naar het westen verleggen, de genua uitrollen en op de zeilen recht naar Weymouth varen. Het was ongelooflijk helder, achter me kon ik nog lang de krijtrotsen van Wight zien en voor me zag ik het schiereiland Portland al liggen. Helaas zwakte de wind aan het eind van de middag wat af en moest ik de motor erbij zetten.

Aangemeerd in hartje Weymouth.

Rond zessen voer ik Weymouth binnen, dat ik goed kende omdat ik er vorig jaar in september een week verwaaid had gelegen. Ik meerde aan op bijna hetzelfde plekje midden in de stad, een paar Engelse buren pakten mijn lijnen aan en daarna kon ik lekker buiten van mijn avondmaal en het leuke uitzicht op de pastelkleurige huizen langs de kade genieten. Honderd meter verderop was een pub met een terras ervoor en op het muurtje langs de kade zaten veel mensen een biertje te drinken. Omdat het de dag was waarop 75 jaar geleden D-Day had plaatsgevonden en de landingstroepen in  Weymouth waren ingescheept, had ik verwacht dat er grote festiviteiten zouden zijn, maar daarvan heb ik weinig gemerkt. Toen ik zat te eten hoorde ik vanaf de richting van de boulevard wel een muziekkorps. Na het eten ben ik er naartoe gelopen, maar toen was het al afgelopen. Ook nu dwongen weer en wind me ertoe om een paar dagen in Weymouth te blijven. ’s Nachts en tegen de morgen zou de wind naar het zuidoosten draaien en dan toenemen tot hard of zelfs stormachtig. Ik had verwacht gewekt te worden door een door het want fluitende wind, maar dat viel reuze mee, wellicht ook omdat ik in de beschutting van de huizen lag en de heuvel daarachter veel wind opving. Omdat de havenmonding op het oosten lag stond er wel wat deining. De volgende dag draaide de wind naar het noordwesten en woei het stevig. Ik heb mijn tijd hoofdzakelijk besteed aan het maken van wandelingen door het park op de heuvel, waar het wemelde van de eekhoorns, en een begin gemaakt met het schrijven van mijn reisverslag.

Portland Bill, waar de grote draaikolk me met een enorme vaart omheen slingert.

De dag erna was het uitstekend weer om de lange oversteek over de Lyme Bay te maken en naar Dartmouth te varen. De verwachte wind was zwak tot matig en zou gaandeweg naar het zuiden draaien, zodat ik waarschijnlijk een flink stuk zou kunnen zeilen. Wel moest ik vroeg uit de veren, want het tij kenterde al om drie uur. Zo vroeg vertrekken zag ik niet zitten en leek me ook onnodig omdat de afstand toch te lang was om binnen één tij af te leggen. Of je dan in het begin of juist aan het eind lang de stroom in de rug hebt, maakt weinig uit. Belangrijk was vooral dat ik bij Portland Bill, de zuidpunt van Portland, waar een enorme draaikolk staat, de stroom in de rug had. Om vijf uur ging de wekker en na het nuttigen van een extra sterke kop koffie voer ik rond half zes de haven uit, samen met een paar vissersschepen. De mooie zonsopkomst zag er veelbelovend uit, maar het weer viel toch wat tegen. De zon liet zich wel vaak zien, maar de bewolking nam gaandeweg steeds meer toe en de wind was nog pal west, maar erg zwak. Waar ik voer stonden nauwelijks golven, maar in de verte zag ik al de schuimkoppen van de brekers in de draaikolk. Om er zover mogelijk van weg te blijven en zoveel mogelijk in de buitenbocht te varen, voer ik zo dicht mogelijk onder de kust. Daar was het het rustigst. Ik werd met een enorme vaart om Portland Bill heen geslingerd en nog geen half uur later voer ik in de Lyme Bay. Daar was het stukken rustiger, maar de invloed van de draaikolk was nog lang voelbaar. Ik werd sterk de baai ingeduwd en als ik mijn koers niet flink had gecorrigeerd was ik niet in Dartmouth, maar in Torquay of Exmouth terechtgekomen. De wind bleef helaas bijna pal west zodat er niets anders op zat dan er op de motor tegenin te varen. Hoewel het Pinkstermorgen was, waren er in de baai veel vissersschepen actief. Behalve goed uitkijken of er een in de buurt was, had ik weinig te doen en heb ik mijn tijd hoofdzakelijk lezend doorgebracht. Eén keer moest ik mijn koers verleggen omdat er een vissersschip hard op me afvoer.

Tijdens de tweede helft van de oversteek van de Lyme Bay kan ik lekker zeilen.

De wind bleef almaar west, maar vanuit het zuidwesten naderde een donkere buienwolk die een fors regengordijn voorttrok. Dat zou weleens de aankondiging van de winddraaiing kunnen zijn. Toen de bui overtrok nam de wind flink toe en draaide hij inderdaad naar het zuiden. Hoewel het pijpenstelen regende heb ik snel de genua uitgerold en zeilend mijn tocht vervolgd. Ik heb me onder de buiskap genesteld en het sturen verder aan de automaat overgelaten. Toen de bui was overgetrokken zwakte de wind helaas steeds meer af en draaide hij weer grotendeels terug, maar het weer verbeterde behoorlijk. De wolken werden steeds kleiner en de zon kreeg steeds meer de overhand. Gaandeweg nam de wind weer toe en draaide hij ook naar het zuidwesten. De motor kon uit en de tweede helft van de oversteek heb ik heerlijk gezeild. Ik had weliswaar stroom tegen, maar door de hoge snelheid door het water was de snelheid over de grond nog steeds ruim 5 knoop. Het was glashelder en rond de middag was de kust bij monding van de Dart al goed te zien. De heuvels rondom de immense baai waren de hele dag zichtbaar en Portland kon ik nog zien totdat het achter de horizon was weggezakt. Toen ik bijna bij de monding van de Dart was, was het nog maar een uur of drie. Ik had graag nog uren lekker door willen zeilen, maar de volgende haven lag te ver weg.

Links het kasteeltje dat op de noordoever van de Dartmonding de wacht houdt.

Hoewel het al de vierde keer was dat ik de Dartmonding binnenvoer, kreeg ik bij het zien van de kasteeltjes die onderaan de hoge, weelderig begroeide heuvels aan weerszijden de wacht hielden en de huizen die tegen de steile hellingen aangeplakt lagen, weer een euforisch gevoel. Schitterend! In Kings Wear, het schilderachtige dorpje tegenover Dartmouth, meerde ik weer aan in de grote marina. Daarna ben ik met de pont naar de stad gevaren om wat inkopen te doen. Voor een avondwandeling had ik helaas te weinig tijd, want na het eten had ik nog een hoop te doen: uitrekenen hoe laat ik de volgende morgen moest vertrekken, uitzoeken welke zeekaarten ik voor het volgende traject nodig had, mijn watertank volgooien, diesel bijvullen, mijn toiletje leegmaken en de boterhammen voor het ontbijt en de lunch van de volgende dag klaarmaken. Bovendien wilde ik vrij vroeg naar bed omdat ik weer vroeg moest vertrekken.

King’s Wear, gezien vanaf de pont naar Dartmouth.

Mijn volgende bestemming was de rivier de Yealm, even ten oosten van Plymouth, waar ik aan kon meren aan een drijvende steiger midden in de rivier, een paradijselijk, goed beschut plekje met aan beide kanten hoge beboste oevers. Wilde ik het hele stuk stroom mee hebben dan moest ik om vier uur de lijnen losgooien, maar dat vond ik wat overdreven. Het belangrijkste was dat ik bij Start Point, de kaap aan de westkant van de Lyme Bay, de stroom nog in de rug had. De Yealm lag niet zover weg en ook met stroom tegen zou ik er in de loop van de middag arriveren. Om half zeven ging de wekker en nadat ik gedoucht had en een kop koffie had genuttigd, heb ik de lijnen losgegooid. Het was goed weer, bijna hetzelfde als de dag ervoor, maar de verwachting was dat het later buiig zou worden en de wind toe zou nemen. Toen ik de monding van de Dart uitvoer was de wind vrij zwak en zuidwest, zodat ik de motor nodig had. Tot aan Start Point had ik nog wat stroom in de rug, maar bij de kaap begon het tij net te kenteren. Daardoor stond er weinig stroom en was het tamelijk rustig. Daarna volgde er een mooie tocht langs een zeer afwisselende kust met soms grimmige rotsen die onderbroken werden door lieflijke baaien. Vaak kon ik kilometers ver het zacht heuvelende land inkijken. Toen ik het baaitje naderde waarin de Yealm uitmondde, was het nog vroeg in de middag en ik heb nog even overwogen om door te varen naar mijn volgende bestemming, maar het begon langzamerhand al buiig te worden. Het begon met één buitje, maar gaandeweg werden het er steeds meer. Na de buien zou het bijna de hele tijd regenen en bovendien zou het ’s avonds hard gaan waaien, er werd zelfs een stormwaarschuwing afgegeven. In storm en regen varen had ik geen trek en ik heb daarom koers gezet naar de Yealm.

Op weg naar de Yealm passeer ik indrukwekkende rotskapen.

Aangemeerd in de Yealm, waar het vanwege de harde stroom aanvankelijk niet lukt om de willen tussen de steiger en het schip te krijgen.

Het binnenvaren van de monding van de rivier vereiste weer de nodige stuurmanskunst. Eerst moest ik door een nauwe geul met aan stuurboord een hoge rotswand met gevaarlijke rotsblokken ervoor en aan bakboord een zandbank. Toen ik die was gepasseerd maakte de geul een scherpe draai naar de andere oever. Door nauwkeurig twee bakens op de helling van een heuvel op één lijn te houden, bereikte ik veilig de overzijde. Daarna voer ik tussen tientallen aan boeien gemeerde jachten de meanderende rivier op. Ik zag de drijvende steiger waar ik kon aanmeren al liggen en een vriendelijke Engelsman pakte mijn lijnen aan. Helaas was de steiger erg laag en hingen de willen wat te hoog, zodat ze naar boven wipten. Ze tussen de boot en de steiger wringen was een hele toer, omdat de sterke stroom het schip hard tegen de steiger drukte. Aan het eind van de middag kwam de havenmeester langs voor het havengeld. Met de bankpas betalen kon niet, maar ik had gelukkig genoeg ponden bij me. Toen ik de havenmeester een biljet van 20 pond overhandigde dat ik vorig jaar in Schotland had gepind, bekeek hij het wantrouwig. Het was uitgegeven door The Royal Bank of Scotland en zag er totaal anders uit dan een Engels pondbiljet. Hij had het nooit eerder gezien en vroeg of ik misschien een Schot was of het zelf had gedrukt. In tegenstelling tot wat er voorspeld was, namen de buien wat af en liet de zon zich weer regelmatig zien, maar ’s nachts kletterde de regen op het kajuitdak en de volgende morgen loeide de wind door het want. Er vertrokken ’s middags wat schepen en ik heb overwogen om ook te vertrekken, maar erg aanlokkelijk zag het er niet uit. Hoewel de ligplaats aan alle kanten beschut werd door hoge heuvels, hoorde ik de wind nog steeds door het want blazen. Bovendien was het somber, koud en regenachtig. Ik besloot om te blijven liggen, dan kon ik mooi mijn verslagje afmaken.

Uitzicht op de oever van de Yealm met het dorpje Newton Ferrers.

’s Avonds waren er nog flinke windvlagen, maar de volgende morgen was de atmosfeer flink tot rust gekomen en zag het er ook wat minder somber uit. De zon liet zich niet zien, maar er waren wel wat opklaringen. Rond negenen heb ik dit schitterende plekje verlaten en koers gezet naar Falmouth, in Cornwall.  Ik koerste vrijwel recht naar het westen en voer vrij ver van de kust, maar omdat het ongelooflijk helder was, was die goed te zien. Kapen, grimmige kliffen en lieflijke baaien wisselden elkaar voortdurend af en daarachter verhieven zich de ruim 400 meter hoge bergen voor de noordkust van Devon en Cornwall. Wind was er niet of nauwelijks, maar toen ik de baai voor de helft was overgestoken stak er zwak briesje op dat net voldoende was om lekker te kunnen zeilen. Na een paar uur hield de wind het weer voor gezien, maar niet ver voor Falmouth kwam hij weer terug, zodat ik zeilend de monding van de Fal binnen kon varen.

Ik ben bijna in Falmouth.

In de passantenhaven was het behoorlijk druk. Er was namelijk in het weekend een shantyfestival met overal in de stad shantykoren, en in verband daarmee was de haven gereserveerd voor traditionele zeilschepen. Er lagen al een aantal oude Cornish kotters en ik meerde af aan een Cornish Crabber. Het was net warm genoeg om in de beschutting van de buiskap buiten te dineren. Ik kreeg weer even ongenood bezoek, op de reling streek een zilvermeeuw neer, wellicht dezelfde die hier verleden jaar mijn brood had gestolen. Toen hij merkte dat er nu pasta op het menu stond hield hij het echter snel voor gezien. Ik had weer een mooi uitzicht op het tegen de heuvels aangeplakte universiteitsstadje en na het eten ben ik door de steile trapstraatjes naar boven geklommen om te genieten van het schitterende uitzicht over de monding van de Fal met de groene heuvels eromheen. De volgende ochtend kon ik al een beetje wennen aan het weer dat mij ongetwijfeld in Schotland te wachten zou staan. ’s Morgens vroeg regende het flink en daarna trokken er voortdurende donkere motregenwolken over. Buiten ontbijten was er helaas niet bij en erg aanlokkelijk zag het er niet uit, maar ik besloot toch om weer een stuk te varen. Ten eerste waren de steigers vanaf 12 uur tot en met het weekend gereserveerd voor de traditionele zeilschepen, dus ik moest sowieso verkassen. Verder zou het de komende dagen stevig gaan waaien, maar nu stond er nog niet zoveel wind. Hij was weliswaar west, maar omdat hij zwak zou zijn, kon ik er wel tegenin varen. Ik wilde naar Newlyn, de westelijkste haven aan de Engelse Kanaalkust. Vandaaruit wilde ik het Bristol Channel oversteken naar Wales en dan de oversteek maken naar Ierland.

Aangemeerd naast een Cornish Crabbber in de drukke passantenhaven van Falmouth.

Toen ik Falmouth verliet motregende het gelukkig even niet, maar het wemelde nog van de buien. Newlyn ligt aan een diepe baai, de Mounts Bay, en om die te bereiken moest ik een ver naar het zuiden lopende landtong ronden. De wind was west en in de beschutting van de landtong kon ik prima zeilen. Wel was de wind vooral in buien niet zwak tot matig, zoals voorspeld, maar matig tot soms vrij krachtig. Om flink vaart te maken, heb ik niet gereefd. Daardoor liep het schip gemiddeld ruim 6 knoop, maar het lag wel voortdurend op één oor, het water spoelde nog net niet over het gangboord. Even wat sinaasappelsap uit de koelkast halen was een bijna onmogelijke toer. Tot aan de landtong kon ik hoog aan de wind zeilen, maar toen ik die wilde ronden kreeg ik de wind pal tegen. Omdat op de motor tegen de golven inhakken zeer onaangenaam is, besloot ik te proberen om in twee lange slagen naar Newlyn te zeilen. Ik heb eerst een slag bijna recht naar het zuiden gemaakt, een flink stuk het Kanaal op, maar toen ik overstag was gegaan om in de volgende slag de Mounts Bay binnen te kunnen varen, moest ik helaas constateren dat dat niet zou lukken. De stroom duwde me te veel naar het oosten, ik dreigde bijna op dezelfde plaats terecht te komen als waarvan ik was vertrokken. Er zat niet veel anders op dan op de motor de landtong te ronden, zeilend zou dat veel te lang duren. Toen ik na ruim anderhalf uur tegen stroom, wind en golven ploeteren eindelijk in de Mounts Bay was, kon ik gelukkig in één lange slag naar Newlyn zeilen. Hoewel de zeilomstandigheden uitstekend waren en er ook geen buien meer vielen, was het geen bijster aangename tocht. Rond de baai lagen mooie heuvels, maar vanwege het dikke wolkendek zag alles er somber, grauw en ongezellig uit en warm was het ook bepaald niet, hooguit een graadje of 12. De havenmeester in Newlyn wees mij een goed plekje toe, dit keer niet langs een antiek jacht of oud vissersschip, maar in van de weinige boxen die gereserveerd zijn voor jachten.

Om Land’s End te ronden en de oversteek naar Wales te maken moest het ruim 24 uur rustig weer zijn, maar helaas verwachtten de weerberichten dat het de komende dagen flink zou waaien. Er zat dus niets anders op dan even pas op de plaats te maken. Daardoor had ik mooi de tijd om de omgeving te verkennen. De eerste dag heb ik een bezoekje gebracht aan het nabij gelegen Penzance, de hoofdplaats van de regio. De dag erna wilde ik graag naar Mount Saint Michael, de meest bezochte toeristische attractie aan de Engelse zuidkust. Net als zijn overbekende Franse tweelingbroer Mont Saint Michel in Normandië, is het van oorsprong een abdij en ligt het op een rotseilandje waar je bij laagwater naartoe kunt wandelen. Het ligt schuin tegenover Newlyn en ik was er vrij dicht langs gevaren, maar om er over land te komen moest ik een flink stuk rond de baai fietsen. Omdat ik aanhoudend gepasseerd werd door auto’s was de fietstocht geen onverdeeld genoegen. Hier en daar lagen wel stukjes fietspad, maar die stopten vaak plotseling of bleken aan de overkant van de weg door te lopen zonder dat dat werd aangegeven. Toen de weg op een gegeven moment een vierbaansweg werd ben ik maar op het voetpad gaan fietsen, in Groot-Brittannië de normaalste zaak van de wereld. De weinige wandelaars sprongen verschrikt opzij als ik belde, ondertussen “sorry” roepend. Mount Saint Michael lag voor Marazion, een van de oudste stadjes van Cornwall. Toen ik er na een uurtje aankwam was het hoogwater, dus ik zou met de boot naar de rots toe moeten. Bij de vertrekplaats van boten wachtte mij echter een teleurstelling: er vertrokken geen boten, want het was zaterdag en uitgerekend op zaterdag was het kasteel gesloten! Ik heb maar van de nood een deugd gemaakt en een wandeling door het goed geconserveerde stadje gemaakt.

Mount Saint Michael bij laagwater.

De volgende morgen heb ik weer hetzelfde tochtje gemaakt. Toen ik in Marazion aankwam was het laagwater, zodat ik over het zand naar het kasteel kon lopen, een wandelingetje van nog geen tien minuten. Ik was bepaald niet de enige bezoeker, maar het bezoek was de moeite van het twee keer fietsen zeker waard. Op de rots stond al vanaf de vijfde eeuw een verdedigingsburcht en in de Middeleeuwen hebben dezelfde monniken als in Frankrijk er een abdij gebouwd. Na de Reformatie werd die getransformeerd tot een kasteel. De adellijke familie die er in 1604 is gaan wonen, woont er nog steeds. De vertrekken die opengesteld waren voor het publiek waren schitterend gemeubileerd, hoofdzakelijk in 19e-eeuwse, Victoriaanse stijl.

Subtropische rotsplanten in de kasteeltuin.

Na het kasteelbezoek heb ik nog een uurtje door de tegen de steile hellingen van de rots aangelegde kasteeltuin gewandeld. Naast palmbomen stonden er opmerkelijk veel subtropische vetplanten, maar het weer was allesbehalve subtropisch. Er stond een gure zuidwestenwind die vochtige lucht aanvoerde. Motregenen deed het nog net niet, maar het zicht was matig en de fraaie omgeving van de baai zag er grijs uit. Ik was blij dat ik niet ergens op het Bristol Channel voer. Ik heb nog wel even op het water vertoeft, want toen ik Mount Saint Michael verliet was het hoogwater en kon ik alleen aan land komen met een sloep. Die rolde behoorlijk, tot grote hilariteit van mijn medepassagiers. Gelukkig werd er geen mens zeeziek, maar daarvoor was het tochtje ook een beetje te kort.

Het pittoreske haventje van Mousehole.

‘s Avonds heb ik weer mijn fietsje gepakt en ben ik naar het plaatsje Mousehole gereden, een paar kilometer ten zuidwesten van Newlyn, dat ik alleen al vanwege de naam wilde bezoeken. Tijdens mijn twee vorige reizen was ik er vlak langs gevaren en vanaf het water zag het er schitterend uit: een klein door twee natuurstenen havendammen beschermd getijdenhaventje met daarachter tegen de heuvels aangeplakt bijna allemaal uit grijze natuursteen opgetrokken huizen met leien daken. De weg ernaartoe, onderaan de steile kliffen, was tamelijk stil, maar soms moest ik even klimmen. Ook dit bezoek was zeer de moeite waard, het stadje was zeer goed geconserveerd en dwalend door de vaak steil oplopende straatjes waande ik me een paar honderd jaar terug in de tijd.

De volgende morgen was het weer gelukkig een stuk beter. Ik kon lekker in de zon mijn eitje pellen en de wind, die nog steeds zuidwest was, was wat geluwd. ’s Avonds had ik de weerberichten geraadpleegd en die zagen er zeer goed uit voor het maken van de ruim 24 uur durende oversteek over het Bristol Channel. Hoe die oversteek is verlopen en wat ik heb beleefd tijdens mijn reis door de Ierse Zee, zal ik in de december-Geus vertellen.

Jaap van der Harst

Over ons

WSV 'De Watergeuzen' is opgericht in het jaar 1928. De vereniging beheert drie havens. De haven aan de Diemerzeedijk met het clubhuis en de winterstalling vormt het middelpunt van de vereniging. De twee andere havens zijn in Vinkeveen en in Durgerdam.

Laatste Nieuws

© 2017 WSV De Watergeuzen. Alle rechten voorbehouden. Diemerzeedijk 34 | 1095 KK | Amsterdam

Search